8. Als een vogel

 

Ik wil vliegen als een vogel.
Al is het maar één dag,
waardoor ik van een hoge boomtop
de mens bekijken mag.


Wat zal ik kunnen lachen
 als ik de mens bezie.
Of zal het huilen worden
om al die godsfanatici?


Het is toch vrees’lijk triest
dat vele schepsels God
elkaar ongehoord bevechten
 met moord en doodslag tot slot
 

Alles uit naam van een schepper,
die zelf uit volle liefde bestaat.
Hij kan het toch niet toestaan
 dat de ene mens de andere haat?


Als de Schepper dit had geweten
had Hij zijn scheppingen wel gestopt
 bij de bloemen en de planten
 want levende wezens zijn geflopt.

Wat is er toch in de mens gevaren
om zo onmenselijk te keer te gaan?
Terwijl we in liefde kunnen leven
 in een gelukkig aards bestaan.


Wil ik wel een vogel wezen?
of een boom, of dier, of plant?
Nee, laat mij gewoon een mens zijn
in een vrij en beloftevol land.