Het klimmertje

“Ho, ho, Daantje. Dat mag niet, hoor. Kom direct naar beneden.”

“Waarom, Pap?”
“Omdat ik het zeg.”
“Ja, maar waarom dan?”
“Omdat je kan vallen en dan breek je misschien een been of een arm.”
“Ik hou me goed vast, pap.”
“Verdorie, als je nu niet direct naar beneden komt, ga je voor straf naar je kamer.”
“Maar ik wil Robbie zien.”
“Maar dan klim je toch niet op het hek.”
“Welles. Ik wil met Robbie buiten spelen.”
En Daantje klimt nog wat verder omhoog, tot hij over de schutting kan kijken en roept. “Robbie, Robbie, ben je thuis?”
“Voor de laatste keer. Kom naar beneden. Nu! Onmiddellijk!”
Het is Daantje inmiddels toch wel duidelijk dat zijn vader echt boos aan het worden is.
“Ik kom al, pap.”
Hij kijkt nog even in de andere tuin en klautert dan langzaam omlaag. Trots kijkt hij naar zijn pa omhoog: “Ik kan goed klimmen, hè?"
“Dat doe je dus niet meer, hoor.”
"Robbie is niet thuis, geloof ik.”
“Maar als je met Robbie wil spelen kan je toch voorom gaan en bij hem aanbellen?”
“Dat gaat niet, pap.”
“En waarom dan niet?”
“Ik kan niet bij de bel.”