Het Maltezer vrouwtje

Het is een vreemd vrouwtje, klein van stuk en ongeveer zestig jaar. Al sinds Harrie in de straat was komen wonen, zag hij haar enkele keren per dag langslopen. Als ze elkaar zagen, groetten ze vriendelijk, maar ze hadden in al die jaren nog nooit een woord met elkaar gesproken. Harrie noemde haar het maltezer vrouwtje, omdat ze altijd met twee maltezer leeuwtjes rondwandelde.

Vaak als hij in de voortuin bezig was, probeerde hij een praatje met haar te maken, maar de enige reactie die zij gaf was een vriendelijke handgroet. Zonder wat te zeggen liep ze gewoon steevast door.

Zeker een beetje seniel, dacht Harrie dan. Kennelijk een zielig, verward vrouwtje dat thuis in armoede en wanorde leeft. Ze wil kennelijk geen contact met anderen

Op een koude januaridag zag Harrie buiten op straat ineens de twee Maltezer hondjes langs rennen met de riemen los achter ze aan klapperend. Maar hun bazinnetje was er niet bij. Snel liep hij naar buiten om poolshoogte te nemen. Even verderop zag hij het vrouwtje hulpeloos op de stoep liggen, uitgegleden op de beijzelde straat. Ze probeerde overeind te komen. Voorzichtig schuifelend liep Harrie naar haar toe en stak zijn hand uit. Ze liet zich omhoogtrekken en met een van pijn vertrokken gezicht keek ze hem dankbaar aan. Maar ook nu ze rechtop stond, klaagde het vrouwtje niet. Ze zei zelfs geen dankjewel tegen haar redder. Ineens begreep deze wat de oorzaak van haar zwijgen was: ze kon niet praten. En even later ontdekte hij ook dat ze doof was, want ze reageerde niet op zijn vragen. 
Met gebaren nodigde hij haar uit om binnen wat te komen drinken, om bij kon komen van de schrik. Arm in arm liepen de twee voorzichtig naar de woning. Gelukkig had de vrouw geen ernstig letsel aan haar val overgehouden.

Daar zaten ze dan tegenover elkaar met ieder een kopje thee. Harrie wist niet goed wat hij moest doen, of beter gezegd: hoe hij iets moest uitbeelden. Hoe moet je vragen stellen over pijn. Welke gebaren moet je maken als je iets over haar val en de hondjes wil zeggen. Gelukkig gaf het vrouwtje hem een geruststellend gevoel, waardoor hij het gevoel kreeg dat woorden of gebaren op dat moment niet belangrijk waren.

Na korte tijd maakte ze duidelijk dat ze weg wilde om haar hondjes te gaan zoeken. Maar vóór ze op was gestaan, kwamen de weglopertjes zelf al terug. Het grootste leed was geleden en met een briefje stelde Harrie voor haar naar huis te brengen.
In haar flat viel de man bijna om van verbazing. Geen armoede, geen wanorde, geen eenzaamheid, maar een keurige woonkamer, met overal prachtige schilderijen aan de muren en op de grond. Ze was dus schilderes. Zoveel moois had hij hier niet verwacht. Ze pakte een mooi natuurschilderij en overhandigde het hem met een vriendelijk gebaar, als dank bedoeld.

Vanaf die dag hing er een fraai kunstwerk boven Harries zitbank en nodigde hij het maltezer vrouwtje nu en dan uit om binnen een kopje thee te drinken. Met een vriendelijke knik ging ze daar regelmatig op in.
En gek genoeg hadden ze dan gezellige en uitgebreide gebarendiscussies. Harrie begon de taal langzamerhand in zich te krijgen. En als ze elkaar even niet verstonden, schreven ze het op. Harrie op een blaadje, het Maltezervrouwtje op een tablet. Zo begrepen ze elkaar toch steeds weer.