Sprotje de doelman

Tientallen jaren later zijn nog altijd de littekens op de beide knieën te zien. Als jochie van 10, 12 jaar werd hij door zijn vrienden Sprotje genoemd. Sprotje was in die tijd een lange slungel en zo mager als visgraat. Hij had één grote hobby, namelijk ballen tegenhouden die door zijn vriendjes op hem werden afgevuurd. Het maakte niet uit waar; op een veldje, in een zaal, of op straat. Als er een paar knapen bij elkaar waren, moest er gevoetbald worden en Sprotje ging steevast op doel.
Het bijzondere van deze knaap was dat het hem niet uitmaakte of er gevoetbald werd op een grasveld, of midden op straat. Hij dook naar elke bal die op hem afkwam, of liet zich vallen voor de voeten van een aanstormende aanvaller. En of hij een lange broek aan had, of met zijn blote knieën keepte, maakte evenmin uit. Zijn moeder werd er wanhopig van, steeds weer kapotte broeken, die gelapt moesten worden. Ze kon boos worden, verbieden om te voetballen, straf geven, het hielp allemaal niets. Ze verbood hem zelfs om met een lange broek de straat op te gaan. Maar ook de korte broeken kwamen er niet ongeschonden vanaf, net zo min als hijzelf. Kapotte knieën en geschaafde heupen en ellebogen waren het gevolg. Steeds weer kapotte knieën, wond op wond.
 
Het ging maar door, totdat …, totdat Sprotje op een echte voetbalclub mocht, onder voorwaarde dat hij niet meer op straat zou keepen.
Toen werd het pas echt serieus. Als het even kon ging hij trainen en stond hij tussen de palen. Alleen de coach van het team had al een vast keepertje op doel staan, dus werd Sprotje, tegen zijn zin in, als linksback opgesteld. De jongen had al het plan opgevat om naar een andere club te gaan, toen het geluk hem plotseling toelachte. Zijn concurrent raakte geblesseerd en er moest een andere keeper komen.
Direct na zijn invalbeurt onderscheidde hij zich al door een penalty uit de hoek te stompen en daarna nog een paar mooie reddingen te verrichten. De wedstrijd werd gewonnen en verschillende spelertjes renden op hem af. Het was de opmaat naar een jarenlang sportieve en  succesvolle keeperscarrière.

Ik moet nu waarschijnlijk onthullen wie die rare, fanatieke snijboon was. Wel, beste lezer, ik moet bekennen dat het verhaal over dat rare jongetje mijzelf betreft. Het fanatisme is inmiddels verdwenen en ik heb helaas nooit in een vertegenwoordigend elftal mogen spelen. Ook een profcontract was niet voor mij weggelegd, hoewel die in het verschiet lag, maar dat werd door een gebroken pols afgeblazen.
Ik heb daar echter nooit spijt van gehad, want ik heb tóch een fijn sportief leven, dat me veel heeft gebracht en nog steeds brengt.