Troost

De avondschemer was langzaam over ze neergedaald. Al lange tijd zitten de twee gekromde mensjes stilletjes op de bank in hun achtertuin, zonder een woord met elkaar te wisselen. Hij heeft zijn arm troostend over de schouders van zijn snikkende vrouw gelegd.
 
Als de man voetstappen op het zijpad hoort naderen, staat hij moeizaam op,
loopt op het geluid af en ziet twee bezoekers op hem af komen.
Hij spreidt zijn armen naar voren ten teken dat ze niet verder hoeven te komen.
‘U wilt het overlijden komen melden? Ik weet het al. De politie heeft ons al geïnformeerd.’
‘Onze deelneming, meneer.’
Hij maakt een afwerend gebaar en zegt fel: ‘Is niet nodig. Ik heb geen verdriet. Hij was een slecht mens. Sinds hij geprobeerd heeft zijn jongere broer en zelfs mijn vrouw te vermoorden, heb ik hem als mijn zoon afgezworen. Zijn moeder is wel altijd van hem blijven houden, ondanks zijn vele criminele daden. Daarom is zij wel zeer bedroefd. Maar bedankt voor uw bezoek.'
Hij wenst ze een goede avond, draait zich om en loopt terug naar zijn eenzame, snikkende vrouw om zijn arm weer liefdevol over haar heen te leggen en te trachten haar intense verdriet samen te delen.