Drank en sport (deel 2) 

Vorige week vertelde ik jullie over mijn drankprobleem tijdens het fitnessen, waardoor ik onwel werd, van een hoge trap viel en op het  beton beneden buiten westen bleef  liggen.

In de ambulance kwam ik weer bij. De verzorger naast mij begroette mij vriendelijk en vroeg naar mijn telefoonnummer thuis.
Na het intoetsen van het nummer, gaf hij mij het toestel en kon ik mijn vrouw vertellen dat ik wat later thuis zou komen.
“Niks bijzonders,” stelde ik haar gerust. "Ik ben gevallen en moet nu even naar het ziekenhuis. Maar ik mankeer niets, hoor. Tot strak,” eindigde ik optimistisch.

“Dat is nog niet zo zeker, meneer," hoorde ik zeggen.
“Dat zal toch wel meevallen? Op wat hoofd- en rugpijn na mankeer ik niks.”
 “Wat voor dag is het vandaag?” vroeg de man, zonder te reageren op mijn opmerking.
Wat stom, dacht ik nog, dat ie  dat niet weet. Maar ja, hij moest natuurlijk een rapportje schrijven, dus  gaf ik hem de exacte datum.
“Goed geantwoord. Dat betekent dat u waarschijnlijk geen hersenbeschadiging heeft.”
“Nou dat is dan een meevaller,” reageerde ik cynisch. Ik begreep nu dat hij mij getest had.

Na een intensieve controle in het ziekenhuis van mijn rug, ribben, ledenmaten en hersens, kreeg ik te horen: “Wij gaan nu uw halsslagader dichtknijpen om het hart onder druk te controleren. Het kan zijn dat u buiten bewustzijn raakt, maar u bent hier in goede handen. Dus maak u geen zorgen.”
Dank je de koekoek, dacht ik. Ik probeerde nog tegen te sputteren, dat niet mijn hart, maar te weinig drank de oorzaak van de val was geweest. Maar daar werd niet op gereageerd.

Na al dat gedoe aan mijn lichaam lag ik lange tijd in mijn eentje op de behandelkamer. Ik zag verpleegsters en patiënten op de gang lopen, maar niemand interesseerde zich in mij. Net toen ik, zoals John de Wolf, de bekende ex-Feyenoorder, in een tv-spotje ook deed, keihard: “ZUSTER!” wilde gaan roepen, kwam iemand de kamer op.
“Oh, u ligt hier nog?” was haar verbaasde vraag.
“Zoals u ziet, ja. Minstens een uur.”
Geschrokken liep ze haastig weg.

Even later kwam een dokter binnenwandelen. “Alles lijkt in orde. Het had heel wat slechter kunnen aflopen. Maar,” ging hij verder, “wij willen u nog een nachtje ter observatie hier houden.”
“Als alles in orde is, ga ik naar huis, dokter."
“Nee, dat gaat niet, mijnheer. U kunt volgende week weer ergens neervallen. Dat willen wij voorkomen.”
“Sorry, dokter, maar ik blijf echt niet.”
Na het nodige gesteggel begreep de arts uiteindelijk dat hij zo’n eigenwijs individue als ik niet kon tegenhouden, dus kreeg ik uiteindelijk toestemming. Maar ik moest wel een verklaring tekenen dat het op eigen risico gebeurde.

Behalve een gaatje in mijn hoofd, een pijnlijke rug en een gebroken bril was alles in orde en ben ik ruim vijf jaar later nog steeds niet flauwgevallen.
Ik was en ben me er wel erg van bewust dat ik enorm geluk heb gehad en dat het leven heel broos kan zijn. 
Sinds deze gebeurtenis heb ik een missie, namelijk: medesporters waarschuwen dat ze voldoende moeten drinken. Sportdrank, of water maakt niet uit. Beide zijn lekker en fris. Zelf zorg ik natuurlijk ook dat ik voldoende drink. Ik heb mijn lesje geleerd.