Weer in het land?

Afgelopen week hoorde ik toevallig een gesprek tussen twee zeer bijzondere heren over de grote problemen in ons landje. Hier volgt een weergave:


‘Hallo collega, weer in het land?'
‘Ja, natuurlijk. Jij toch ook?’
’Wanneer ben je aangekomen?’
‘Vorige week. Maar wat een toestanden tegenwoordig hier, zeg.’

‘Verschrikkelijk. Ik heb mijn hulpjes allemaal thuisgelaten. Ik leen wel wat soldaten van mijn vriend Napoleon. Die lui zijn dolblij als ze een poosje van de oorlogslavernij verlost zijn. En ze hebben fraaie kostuums, vind je ook niet?’
‘Man, dat kan niet. Napoleon is al ruim twee eeuwen dood.’
‘Oh, dat heb ik zeker gemist. Maakt niet uit, dan neem ik maar gewone soldaten en laat ik ze die mooie Franse uniformen aantrekken. Leuk toch?
‘Dat is beter. Ik ben van plan om mijn mensen paars te schminken. Kan niemand wat tegen hebben, volgens mij.'
‘Tja, ook aardig bedacht.´
‘Maar wat moeten wijzelf? Gegarandeerd dat er op een gegeven moment uit bepaalde hoek protesten komen over onze kleding.’
‘Niet zo moeilijk, hoor. Ik trek een generaalsuniform aan. Ik ben immers de baas van het stel.’
‘Niet doen, joh. Dan worden de kindertjes hartstikke bang en krijg je de moeders op je dak. Zo niet, word je misschien opgepakt op verdenking van terrorisme.’
‘Ja dat wel, natuurlijk. Maar liever die moeders boven op me, dan een mes tussen mijn ribben vanwege mijnkleding.’

‘Jammer toch, dat die schreeuwende negatievelingen niets van ons kinderfeestje begrijpen, vind je ook niet?’
‘Tuurlijk, maar ik ga toch door met mijn werk.'

‘Ik ook. Ik wil dat de kinderen ongestoord hun cadeautjes krijgen.’
‘Wil ik ook. Maar, kom op Klaas. Laten we een pilsje nemen. Dan proosten wij alvast op de goede afloop, hopelijk.’
‘Ja lekker, Klaas, maar laten we onze hoofddeksels voorlopig maar afzetten, want dat vinden sommige lieden ook weer provocerend.’
’Ze kunnen me wat. Ik houd mijn mijter gewoon op. Het moet toch niet gekker worden.'

22-10-2018
 
                                                 

Pietje zet zijn schoen en stopt er een briefje in: "Beste Sinterklaas, ik wil als geschenk graag een klein broertje."
De volgende avond had hij al een briefje van de Sint terug: "Stuur dan je moeder maar naar mij.”