Roodkapje anno heden

Vrolijk neuriënd loopt ze onder de hoge bomen. Al tientallen keren heeft ze het lange bospad naar haar oma afgelegd. Het lieve kind loopt wat te dagdromen. Afgelopen winter was het er zo kaal, maar nu kijkt ze vol bewondering naar links en rechts, naar boven en naar beneden. Alles is zo mooi, zo vol met frisgroen lover en leuke bloemen. Kijk daar eens:  paarse pinksterbloemetjes. Die ga ik voor oma plukken. Die vindt ze vast wel leuk. Ze loopt verder het bos in, plukt de bloemen en legt ze op haar mandje. Oh, kijk, daar nog meer. Nu rode bloempjes. Die moeten er ook bij.
Ineens hoort ze in het struikgewas wat ritselen en ze ziet een grote hond.
‘Oh, wat ben jij een mooie hond,' zegt ze.
‘Ik ben een wolf, een lieve wolf. Wat heb je daar in je mandje?’
'Broodjes en drank voor mijn oma. Die is ziek. Ze woont in het gele hutje verderop. Mag ik je aaien?’
'Jawel, maar dan wil ik de broodjes.’
’Nee, die zijn voor oma.’
‘Ik wil de broodjes, anders ga ik je bijten.’
En meteen greep de wolf de mand.
‘Hela, ben je helemaal besodemietert, jij lelijk rotbeest. Hier, pak aan, hier en nog een.’
Terwijl ze dit uitriep, trapte ze de wolf een aantal keren keihard in zijn buikstreek.
De wolf liet door de pijn zijn prooi los. ‘Waf, waf, au, au, aaah’ schreeuwde het beest.
Nu ging Roodkapje met de mand links en rechts tegen de wolvenkop meppen.
‘Wegwezen, jij ellendeling.’
 

Het was laat geworden en het kind ging weer snel op pad, terwijl ze vrolijk zong: 'die zien we nooit meer ... terug.'
Toen ze de hut binnentrad, zag ze een raar wezen in bed liggen.
‘Oma, wat is er met jou gebeurd?’
‘Niets,’ bromde het wezen.
‘Je hebt van die grote oren en ogen en een rare neus. Maar wacht eens, jij bent oma niet. Jij bent die gemene, smerige wolf. Eruit jij, rotzak,’ riep ze, terwijl ze weer met de mand erop los sloeg.  
‘Eruit. Nu!’
De wolf rolde uit bed en hield zijn poten voor zijn kop om de rake klappen op te vangen.
‘Waar is oma gebleven?’
'Weet ik niet.’
‘Jawel, weet je wel. Vertel op, of ik laat je alle hoeken van de kamer zien. En waarom heb je zo’n belachelijk dikke buik?’
‘Weet ik niet.’
‘Jawel. Weet je wel.’ En ze bleef op hem inslaan.
‘Ik wilde haar likken en toen heb haar per ongeluk ingeslikt,’ stamelde het angstige beest.
‘WHAAAT? Heb je oma opgevreten? Hier, hier, hier.’
Bij elke klap kromp de wolf verder ineen.
‘Ik ga je buik opensnijden, verdomme.’
‘Nee, nee, niet doen alsjeblieft.’
‘Nou heb je spijt, hè? Weet je wat. Je mag kiezen: of ik bel de jager om je dood te schieten met zijn kalasnikov, of ik snij je buik open, of ik hang je met je achterpoten aan die hanenbalk boven het bed en sla oma uit je buik. Als je tegenstribbelt, sla ik je helemaal tot moes en ga ik je alsnog opensnijden, begrepen?’
‘Ja, ja, hang me maar op, maar niet te hard slaan, hoor.’
Toen het beest zich gewillig liet ophangen, ging Roodkapje met de mand op zijn rug en achterwerk slaan.
‘Waf, waf, woef, woef, au, aaah.’
En ineens gleed oma zomaar uit de buik van wolf en viel op bed.
Het is duidelijk: Roodkapje anno 2015 is geen doetje meer, maar een meid van deze tijd. Een vrouwtje met ballen.