Keepersgeluk        

Door mijn slungelig lichaam werd ik als kind door mijn klasgenoten bij het samenstellen van een voetbalploegje op het schoolplein nooit als eerste gekozen. Integendeel, ik was vaak letterlijk de sluitpost.
Als het partijtje begon, moest ik altijd op doel staan. De doelpalen bestonden uit een paar jassen, tassen, of dergelijke.
Was ik ongelukkig met die situatie? Nee hoor, integendeel. Ik was er zelfs heel gelukkig mee. Zo leerde ik op heel jonge leeftijd al hoe ik ballen tegen moest houden. Het maakte mij niet uit of ik op de keien voor iemands schoenen moest duiken. Mijn moeder was minder gelukkig, omdat ik regelmatig met bloedende schaafwonden of gescheurde broek thuiskwam.
Maar ondanks een boze moeder raakte ik verslaafd aan het keeperswerk. Gekneusde ledematen of ribben, blauwe ogen en zelfs een hersenschudding hielden mij niet tegen om te blijven keepen.

Toen ik als zeventienjarige bij een echte voetbalclub ging spelen, werd ik tot mijn verdriet bij de junioren opgesteld als linksachter, totdat onze keeper uitviel. Op de vraag wie in het doel wilde gaan staan, riep ik natuurlijk keihard ‘Ikke!’ 
En zo geschiedde, tot mijn grote geluk.
Ik had nog geen bal aangeraakt toen er een penalty werd genomen. En raad eens wat? Ik stompte de hard en goed geplaatste knal uit de hoek richting cornervlag. Keepersgeluk? Natuurlijk, want een penalty hoort te zitten. Toch?
Maar mijn naam als doelman was gevestigd en ik ben niet meer onder de lat verdwenen. Jammer voor de andere keeper, gelukkig voor mij.

Kort daarna mocht ik met het eerste elftal mee als reservekeeper. En het geluk was weer met mij. De eerste doelman kwam te laat opdraven en ik werd meteen voor de leeuwen gegooid. Vanaf dat moment ben ik ook niet meer uit het eerste elftal verdwenen. Ik vond het wel zielig voor mijn concurrent, maar ja, zo is het leven nu eenmaal. Pech voor hem, geluk voor mij.

Na enkele jaren wilde ik mijn geluk proberen bij een profclub. Helaas had ik daar minder mazzel. Hoewel na een tijdje een contract van maar liefst vijftig gulden bij een gewonnen wedstrijd niet ver weg leek, was het ineens einde ambitie. Een polsbreuk gooide roet in het eten. Was ik daar ongelukkig mee? Achteraf totaal niet.
Want ik ging terug naar mijn oude cluppie; terug naar mijn vroegere voetbalmaten waar ik weer in een vriendenclub terechtkwam.
En ook toen was het keepersgeluk weer met mij, want ik hoefde niet meer met mijn vroegere concurrent te wedijveren. Hij was inmiddels vertrokken.

Vele jaren later ontmoette ik mijn keepersrivaal van weleer, toen ik als makelaar een woning van zijn overleden moeder in de verkoop kreeg. Hij was door een baard en wat rimpels flink veranderd, maar behalve aan zijn naam herkende ik hem direct aan een zenuwtic in zijn gezicht.
We hebben elkaar gedurende de verkoopperiode steeds netjes met mijnheer aangesproken, hoewel ik vermoedde dat hij best wel wist, dat ik degene was die hem indertijd uit het doel had verdreven. Hij kende immers mijn naam. Maar we wilden beiden kennelijk geen oude koeien uit de sloot halen.

Ik had veel respect voor de man gekregen, omdat hij mij, hoewel ik toch zijn vroegere vijand was geweest, tot mijn geluk de verkoop van de woning had gegund.

 

25-11-2018