Mijn valsspelende tante

Tien jaar was ik, toen in ons gezin plotseling de besmettelijke ziekte difterie uitbrak. Vijf van de zes kinderen werden ernstig ziek. De enige die bevrijd bleef van deze gevaarlijke en vaak dodelijke ziekte was ik.
Als de bliksem werd ik uit huis geplaatst en ondergebracht bij mijn ome Cor en tante Ger in Duivendrecht.
Het was een warm nest waar ik in terecht was gekomen. Vooral mijn tante was de liefste vrouw die ik me, naast mijn eigen moeder, kon voorstellen. Ze was heel zachtmoedig en ik kreeg alle aandacht van haar. Behalve een getrouwde dochter hadden ze een zoon die Kees heette, maar die was veel ouder dan ik, zodat ik daar weinig mee kon spelen.
Maar omdat er in die tijd nog geen televisie was, speelden we, mijn tante, mijn neef Kees en ik, vóór ik moest gaan slapen wel altijd een spelletje, zoals ganzenbord, mens erger je niet, of monopoly.
 
Vooral monopoly was bij mijn tante favoriet. En zoals iedereen weet, kan dat heel lang duren. Daardoor moest het spel, vanwege mijn bedtijd, vaak afgebroken worden.
Kees was ’s avonds vaak naar voetbaltraining, of naar iets anders. Maar geen probleem, want we hadden afgesproken om gewoon voor Kees de dobbelstenen te gooien en voor hem te spelen.

Maar soms was mijn tante toch niet zo lief als ze leek. Want af en toe stelde ze me op  samenzwerende toon voor om de pion van Kees, als een zet voor ons beiden slecht uitkwam, doodleuk in de gevangenis, of ergens anders te plaatsen. Ik vond het niet zo leuk en had nooit gedacht dat mijn tante zo vals kon spelen.

Achteraf denk ik dat ze mij misschien wilde testen of ik een eerlijk jongetje was. Ik weet niet meer of ik wel eens met haar voorstellen heb ingestemd.

Wel weet ik dat ik op een gegeven moment tegen mijn neef, toen hij weer eens meespeelde, heb verraden dat zijn mama niet altijd eerlijk had ges[eeld. In plaats dat mijn openhartigheid tot consternatie leidde, of dat hij boos zou worden, begonnen beiden heel hard te lachen.
En dat vond ik helemaal niet leuk.

17-02-2024
Jules du Lac