Hoofdstuk 1.3: Sherlock Holmes  


Mijn poging om naar huis te gaan, waardoor ik van mijn kwelgeest verlost zou worden, werd gedwarsboomd door de hardhandige ingreep van mijn buurman aan de bar.
 

Ondanks mijn kreet om van mij af te blijven, hield die nare Drukmans me stevig vast en ratelde door: ‘Luister nou eens, Bert. We gaan alle verzekeringsklanten meedelen dat ik mijn vader opvolg en met jou een makelaardij en assurantiekantoor ga beginnen. We gaan een groots openingsfeest geven; gegarandeerd dat er veel mensen komen.’

Ik verbaasde me over zijn volharding, maar bleef veel twijfels houden.
‘Ik pas mooi voor die belachelijk ideeën. Volgens mij vergeet je een paar belangrijke punten.’
‘En dat is?’
‘Mogelijk wil ik helemaal niet zelfstandig worden en heb ik een concurrentiebeding.’
‘Ik denk dat je graag wat anders wilt. Je slooft je nu dagelijks uit in de blubber. Dat is toch niks voor jou.’
‘Hoe kom je daar nou weer bij?’ 
‘Heel simpel. Je hebt klomplaarzen vol modder. Woningmakelaars hebben nette, glimmende schoenen. En dat jack waarmee je binnenkwam, is meer een jagersjas dan een gewoon autojack. Dit geploeter is toch niet lang vol te houden? Jouw baas zal je daardoor echt niet kunnen tegenhouden als jij een makelaarskantoor in de stad wilt beginnen.'
Ik was verbijsterd. ‘Je kan wel eens gelijk hebben. Hoe weet je dat allemaal?’
‘Gewoon, observeren en concluderen. Heb ik mijn hobby van gemaakt. Kan jij ook, Bert. Zullen we eens kijken wat we van dat barmeisje te weten kunnen komen?’
'Ga je weer Sherlock Holmes spelen? Je bent echt gestoord, hè?’

Ik liet hem maar begaan, want ik wilde zijn conclusies over Linda wel eens aanhoren.
‘Jij kent haar goed, toch?’
‘Nee, hoor. Ik heb haar een paar keer hier ontmoet. Maar verder weet ik niets van haar.’

‘Geeft niet. We komen er wel achter. Laten we eens kijken wat we van haar te weten kunnen komen. Hoe oud is ze, denk je?’
‘Tussen de 25 en 30?’
‘Denk ik ook.’
‘Studeert ze nog?’
‘Nee, lijkt ze me te oud voor.’
‘Heel goed. Zal ze getrouwd zijn?’
‘Weet ik niet.’
‘Ik denk dat ze niet getrouwd is. Ze is knap, lijkt me intelligent en is heel klantvriendelijk. Als ze getrouwd is, had ze een baan voor overdag. Ze zou een perfecte receptioniste zijn op een makelaarskantoor. Voel je ‘m, Bert? Hahaha.’
De man schaterde om deze verwijzing naar onze eventuele samenwerking.
‘Tja, misschien heb je gelijk.'
‘Heeft ze een vriendje?'
‘Lijkt me wel. Zo’n leuk ding blijft nooit lang alleen.’
‘Ik denk van niet.’
‘Oh, en waarom niet?’
‘Ook weer simpel als je even nadenkt. Een vriendje wil natuurlijk zoveel mogelijk bij deze schoonheid in de buurt zijn. Dus zou haar liefje hier wel aan de bar zitten. Zullen we het eens controleren?’
‘Hoe wil je dat doen?’
‘Gewoon vragen. Wil jij het vragen, of zal ik het doen?’
‘Doe jij het maar. Ik vind het nogal gênant.’

Zonder enige aarzeling richtte de man zich tot de bardame: ‘Juffrouw, mag ik wat vragen? Wij vroegen ons af of je een vriend hebt. Want het is nogal gevaarlijk om na sluitingstijd alleen over straat te gaan. Of ben je niet bang in het donker?’
De vrouw begon spontaan te lachen. Kennelijk viel de vraag van Hendrik toch wel in goede aarde. ‘Ik ben niet bang, hoor. Mannen kunnen beter bang voor mij zijn.’
‘Oh, dat is verrassend.’
‘Nou, valt wel mee. Ik doe aan judo; heb de zwarte band en ja, ik heb een vriend hier in het café. Ik zal hem zo een kus geven.’

Vol verbazing keken we rond. Er zaten alleen maar wat stellen, maar we zagen nergens een jongeman zitten.
‘Je hebt dus nu eens ongelijk, Hendrik. Hahaha.’ Ik genoot van deze miskleun.

4-2-2019      

 
Volgende week: Hoofdstuk 1 deel 4 (slot: Proost)