Bedreiging (deel 2)

Korte inhoud deel 1: De woesteling die het makeaarskantoor was binnengestormd,
bedreigde mij met de bedoeling om de ingebrekestelling van zijn broertje ongedaan te maken.
De spanning steeg ten top. Wat zou er gaan gebeuren? 
                       
                 

’Voor wie kom je eigenlijk?‘ vroeg ik voorzichtig aan de indringer.
‘Voor mijn broertje Joop Panningha, klojo. Je moet niet denken dat jij zomaar poen uit zijn zak kan troggelen, minkukel.’
‘Sorry hoor, maar je broer was in gebreke en de verkoper heeft mij opgedragen om hem voor de boete aan te schrijven. Daar heb ik me aan te houden,’ probeerde ik voorzichtig uit te leggen.
‘Interesseert me geen moer. Je zorgt maar dat die boete van tafel gaat, anders kom ik jou en je kantoor met een paar kameraden volledig in puin slaan.’
‘Ik wil niet vervelend zijn, maar hij heeft het aan zichzelf te wijten,’ durfde ik nog tegen te spreken. ‘Er was een getekend contract en dat is hij niet nagekomen. In de voorwaarden staat precies vermeld wat er dan gaat gebeuren.'
Ik was bang dat ik nu te ver was gegaan, want hij tilde twee vuisten gevaarlijk omhoog pal voor mijn gezicht. ‘Je weet wat ik gezegd heb. Boete weg, of anders zul je enorme spijt krijgen, imbeciel,’ riep hij.
‘Ik kan daar niet over beslissen, beste man. De verkoper is mijn opdrachtgever. Die bepaalt wat er moet gaan gebeuren. Ik zal het met de verkoper overleggen.'

'Jij begrijpt me niet, hè? Je zorgt dat die kwestie onmiddellijk wordt opgelost, anders merk je het vanzelf en komen er grote ongelukken. Mijn geduld raakt op, mannetje.’


Ik hield nu maar even wijselijk mijn mond. Waarom weet ik niet, maar ik was al die tijd bijzonder rustig gebleven. Misschien daardoor leek hij wat minder agressief te worden. De man maakte zelfs een stap terug.
Maar nee, dat was een vergissing. Met zijn wijsvinger wees hij priemend in mijn richting, keek me verwoestend aan, en zonder vriendelijk gedag te zeggen draaide hij zich om en stapte agressief, onder het omver gooien van enkele stoelen,  naar buiten. Even later zag ik hem in een dure sportauto stappen; eentje die niet zomaar door Jan en alleman kan worden aangeschaft. Ik schatte zijn speeltje op een paar ton. Met veel geraas scheurde hij weg.


‘Poeh, poeh, die was aardig boos,’ lachte ik bevrijdend naar Linda, mijn secretaresse die alles had meebeleefd.
‘Ik zit hier te shaken op mijn stoel, man. Hoe is het mogelijk dat je zo rustig bleef.’
‘Had ik dan moeten beven als een rietje en in paniek moeten raken door die pooier? Want dat is ie volgens mij, denk je ook niet?’
‘Zeker weten. Levensgevaarlijk is die gast. Moet je geen aangifte doen? De politie moet die kerel oppakken.’
‘Ik pieker er niet over. Als ik dat doe, zijn de gevolgen helemaal niet meer te overzien. Zulke figuren zijn tot alles in staat. Je leest in kranten zo vaak over liquidaties. Ik voel er niets voor om binnenkort als een dood vogeltje op de voorpagina van de kranten te komen.’
‘Maar misschien dat hij vanavond de ruiten komt ingooien of, nog erger, de boel in brand steekt. Wat dan?
Tja, wat dan?
 

1 juli 2019
(Wordt vervolg)