Hfdst 2: IJzige Gevangenschap 

Deel 1: De klimpartij


Het was koud, ijskoud. De koudste dag sinds jaren. Maar makelaardszaken moeten doorgaan, ongeacht de weersomstandigheden. Afspraken voor bezichtigingen, taxaties, of verkoopgesprekken behoren gewoon te worden nagekomen, hoewel je liever lekker op je verwarmd kantoor wilt blijven zitten.

Dus, ondanks de min 21 graden toog ik om tien uur in de ochtend naar een pandje, waarvoor door secretaresse Linda een afspraak voor bezichtiging was gemaakt.
Na vijf minuten bibberen in de auto, waarbij de ruiten al dichtvroren, kwamen de bezoekers opdraven. Het was een jong stel begeleid door een ouderpaar. Ze stelden zich voor als familie Dorenmans; de jongeman heette Marten, het meisje Francine.
Diep in onze jassen en sjaals gestoken, liepen we door het huis. Als laatste onderdeel wilde de familie ook nog, ondanks de ijzige kou,  het plaatsje en de schuur bekijken; een duidelijke aanwijzing dat ze zeer geïnteresseerd waren. We gingen met ons allen naar buiten.

Om de woning niet te veel af te laten koelen, werd de deur door de zoon netjes dicht gedaan. Na een paar minuten had men het wel gezien en wilde de zoon de keukendeur openen. Althans, dat dacht hij. Want met een beduusd gezicht keek de jongeman naar zijn hand, waarin de deurkruk was achtergebleven. Het vervelende was dat hij het korte deel in zijn hand hield. Daar kon de deur dus onmogelijk mee worden opengemaakt.

Wat nu? Een ruit inslaan? Dat zou wel een erg gewelddadige actie zijn. De buren waarschuwen? Dat probeerden we door flink te roepen, maar nergens kwam enige reactie. Overal waren de ramen gesloten, waardoor onze herriemakerij niet in de huizen binnendrong. Of misschien waren de mensen niet thuis.
Dan de eigenaar bellen. Maar ook daarmee hadden we pech, want deze zat in een vergadering, ongeveer veertig kilometer verderop.
Daarom stelde ik uiteindelijk aan de jongeman voor om over de schuttingen te klimmen en via de poort, die twee tuinen verderop lag, naar de voordeur te lopen om daar de woning te openen en ons te bevrijden uit onze ijzige gevangenschap.
Dus klom Marten even later, met behulp van pa,  over de schutting heen. De eerste horde werd genomen.
De tweede echter ging met de nodige hindernissen. Omdat hier de steun van vader ontbrak, lukte het hem niet om op de schutting te klimmen.
‘Het lukt niet, pap. Ik kom er niet in mijn eentje overheen.’
‘Dat moet, jongen. Wij willen hier niet doodvriezen, hoor. Heb je al op een raam gebonkt?’
‘Jazeker, maar er is niemand thuis.’
‘Is er dan geen vuilnisemmer, of bak waar je op kunt staan?’
‘Goed idee. Ik zal kijken.’ Even later riep hij verheugd: ‘Ik heb heb een lege aardappelkist gevonden.’
Na enkele seconden hoorden we een gekraak, meteen gevolgd door: ‘Auw, aaah, verdomme nog aan toe.’
‘Wat is er gebeurd?’ riep vader. Die vraag was eigenlijk overbodig, want we begrepen allemaal dat de aardappelkist het begeven had.
‘Wat denk je? Auw, auw, Ik ben verdomme gevallen.’
‘Niks gebroken?’
‘Ik geloof het niet.’
‘Verder dan met je klimproject, Marten.’
Zijn pijngevoelens waren voor de vader op dat moment ondergeschikt aan de bevriesprocedure.
‘Wacht even,’ riep ik, ‘we hebben hier een vuilnisbak. Die zullen we er overheen gooien, dan kan je makkelijker klimmen.’
Zo gezegd, zo gedaan. De bak duvelde weliswaar om, waardoor de tuin ineens bezaaid lag met een grote hoeveelheid huisvuil, maar het belangrijkste was dat zoonlief nu op het hek kon klimmen.


We luisterden bibberend naar de klimpartij van de jongeman, maar tot onze schrik hoorden we ineens weer een geschreeuw: ‘Auw, aaah, oooh, auw! Dat ook nog. Wat een pijn, verdomme, aaaah.’
‘Wat is er nou weer,’ riep pa verbolgen.
‘Aaah, ik ben, aaah, ik ben in …’
‘Kom op Marten, doorgaan.’,
‘Dank je de koekoek, ik ben in …,’ verder kwam Marten niet, want hij begon weer te kreunen en te steunen met veel aaah’s en auws.

(Wordt vervolgd)

 
4-3-2019