De lekke band  

Dit was de vierde keer in twee weken. Verbijsterd staart André naar de achterband van zijn fiets. Hoe kan dat nou? Elke keer als hij van school naar huis wil rijden, staat er een band leeg. Ligt er ergens glas waar hij steeds doorheen fiets? Het lijkt wel of er een pechduiveltje meerijdt.

Sinds hij samen met zijn nieuwe vriendin, Linda, naar huis fietst, hebben ze vaak samen op haar rijwiel moeten rijden.
Linda zal wel denken dat hij het expres doet, bedacht hij, zodat hij haar achterop haar fiets naar huis kon brengen en zij het middel van André omklemde. 

Als hij op een ochtend naar zijn inmiddels weer rijvaardig gemaakte fiets loopt, ontdekt hij dat de veroorzaker van de lekke banden geen pechduivel is, maar een mens van vlees en bloed. Hij ziet een onbekende knaap met een mes bij zijn fiets staan.
‘Hé, wat moet je daar, man’, schreeuwt hij, terwijl hij op hem afrent.
Als een haas rent de jongen weg.

Even later vertelt hij het gebeurde aan zijn vriendin. ‘Die knaap was grof gebouwd en had rood haar.’
‘Dat is vast Robbert, een buurjongen. Een enge agressieveling.’
‘Nou, dan ga ik maar eens met hem praten.’
'Zou je dat wel doen, André? Hij is sterk, hoor.'

Als hij kort daarna tóch bij de bandenprikker aanbelt, blijkt Robbert een kop groter dan André.
‘Dat is toch niet normaal, wat je steeds flikt, goser. Waarom doe je dat, man?’, roept André.
‘Omdat je me meissie heb afgepikt, sufferd,’ en zonder enige waarschuwing belandt de vuist van de knaap op het rechteroog van André.
‘Ach, klojo, Linda is nooit jouw vriendin geweest.’ En meteen haalt ook André uit naar zijn opponent. Er volgt een stevige knokpartij, tot de moeder in de gang verschijnt en roept: ‘Ophouden Robbert. Ben je weer bezig?’

Als de gehavende André met een blauw oog het verhaal aan Linda vertelt, omhelst ze hem en geeft een dikke kus. Voor het eerst.

 
21-06-2014