De klimmanniak 

‘Zeg John, waar is Paultje toch?’
‘Is dat rotjong alweer zoek?
‘Rotjong? Het is wel je eigen zoon, hoor.’
‘We moeten hem eens flink aanpakken, want ik word het zat. Dat joch klimt overal maar op en in. Laatst nog, toen hij uit het raam klauterde en zo de straat op rende.’
‘Die uitbrander van toen heeft ook niks geholpen.’
‘En vorige week nog viel hij van het dressoir, maar die gekneusde enkel maakte hem niets uit. Hij blijft maar doorgaan. Ik ga hem zoeken en als ik hem vind, bind ik hem de hele dag vast aan zijn bed.’
‘Doe nou maar rustig. Wees blij dat het geen sulletje is. Met zijn vier jaar ziet hij de gevaren gewoon nog niet.’
‘Kan wel zijn, maar hij moet wel leren.

Waar vader ook zocht, op zolder, in kasten, in de schuur, op straat, nergens was Paultje te vinden. Na drie kwartier kwam de man diep ongerust weer thuis.
‘We moeten de politie bellen, Gerda. Misschien is hij ontvoerd.’
‘Waar heb je dan gezocht?’
‘Overal.’
‘Heb je ook in de tuin gekeken?’
‘Jazeker. Vanuit het raam had ik al meteen gezien dat hij daar niet is.’
‘Heb je ook in het kippenhok gekeken?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Daar zat hij laatst toch als een kip op een stok te wiebelen, terwijl alle kippen het hok waren uitgevlucht. Weet je nog?’
‘Jawel, maar ik heb toen een stevig slot op het hok gemonteerd.’
‘Ga voor alle zekerheid toch maar even kijken.

Dus ging pa de tuin in. Maar ook daar was geen spoor van Paultje te zien.
‘Hoi, paps,’ hoorde hij ineens. Het was de stem van Paultje, maar waarvandaan het kwam, kon hij niet opmaken.
‘Waar zit je, snotaap?’
‘Hier in de appelboom. Het is heel mooi hier. Ik zie allemaal tuinen.’
‘Onmiddellijk eruit! Nu! Nee wacht, ik pak een ladder. Maar hoe ben je er in gekomen? Die boom is vreselijk hoog.’

‘Gewoon via de perenboom en van de ene tak naar een andere geklommen. Heel eenvoudig, hoor. Kom je ook kijken?'


15-04-2015