Hoofdstuk 4.1: Mijn stamcafé           

 

Het was een sinistere, gure herfstavond. Diep weggedoken in mijn kraag probeerde ik mij te beschermen tegen de striemende slagregens en de felle wind die door mijn haren stuwde.
Ik, Albertus Brink, had grote behoefte aan warmte, afleiding en gezelligheid. Het was weer eens laat geworden. Ik was het zat door al die late beslommeringen van de laatste tijd. Ik verlangde naar een stevige opkikker.
Daarom haastte ik mij naar mijn stamcafé Rode Leo.


‘Goedenavond Linda. Geef mij alsjeblieft een dubbele whisky,’ begroette ik uitgeblust de mooie bardame, terwijl ik me op een barkruk hees.
‘Geen biertje, zoals gewoonlijk?’
‘Nee, nee, whisky graag.’
'Moeilijke avond gehad, mister?’
Het was de man naast me die me lastig viel.
‘Inderdaad, ja. Is dat aan me te zien?’
‘Zeker, ik zie een uitgeblust iemand die heel moeizaam op een barkruk klimt. En die man heeft iets sterkers nodig dan normaal om bij te komen vanwege de inspanningen.’
‘Ja, goed gezien.’
'Ook in zaken dus, hè mister?’
‘Zeker, maar waarom denkt u dat?’
Mijn glas werd voorgezet en ik hief het omhoog richting buurman.
‘Simpel toch. U bent vanavond nog flink bezig geweest. Dat doe je niet als je ambtenaar, of leraar bent.’
‘Juist ja, ook weer goed bedacht. Ik werk op een makelaarskantoor.’
‘Interessant zeg. We zijn dus min of meer collega’s. Ik moet voor mijn werkgever vaak woningen taxeren. Ik werk bij een woningcorporatie.’
‘Inderdaad toevallig.’

Eigenlijk vond ik dit gesprek helemaal niet leuk. Wat moest ik nou met deze ouwehoer?

‘We zouden een diepgaand gesprek kunnen hebben over de huidige woningmarkt. Maar daar hebt u natuurlijk weinig zin in, toch?’
‘Inderdaad. Totaal geen zin.’
‘Logisch. U hebt de hele dag al zware gesprekken moeten voeren en u wilt in een kroeg liever over andere dingen praten, zoals over voetbal of vrouwen, toch?’
De man begon me steeds meer te irriteren met zijn vervelende opmerkingen.
‘Ja, u hebt gelijk,’ antwoordde ik korzelig.
‘We zouden ook met elkaar kunnen praten over een samenwerking, mister.’

Nu ontplofte ik als een handgranaat: ‘Met jou?’ schreeuwde ik woest. Alle cafébezoekers keken verschrikt in mijn richting. ‘Met zo’n irritante vent naast me? Nooit van mijn leven.’
En om mijn woorden extra kracht bij te zetten, sloeg ik met mijn vuist hard op de toog. De glazen stonden te rinkelen.
Helaas maakte mijn duidelijke afwijzing geen enkele indruk op mijn buurman, want …


Volgende week: Hoofdstuk 1 deel 2 (De idioot)