Foute liefde (3. Niets geleerd)

Tegen alle verwachting in nodigde Mirna Winkelmans mij, ondanks haar aanvankelijke vijandschap, uit om haar woning te bekijken.

Weer beneden moest ik voorzichtig mijn oordeel gaan geven.
‘Het is best wel een leuke woning, mevrouw, maar ik moet zeggen dat het onderhoud op verschillende onderdelen erg matig is.’
‘Dat weet ik. Mijn ex zou dat in orde maken, maar de ellendeling ging liever in de weekeinden stappen.’
‘U mag blij zijn dat het uit is met die bedrieger; u hoeft echt niet verdrietig te zijn, vind ik.’
‘Ja, u hebt gelijk.’
‘Om nog even op het onderhoud terug te komen: het scheelt veel in de opbrengst. Ik denk nu aan een koopsom van drie ton. Bij wat verbeteringen kan het zeker vijftigduizend meer opbrengen.
‘Oké, en nu?’

‘Ik kan voor u vrijblijvend een uitgebreide berekening maken van de opknapkosten en een handige klusjesman laten komen.’
‘U weet uzelf wel goed te verkopen, meneer Berg.’
‘Dat moet natuurlijk ook, want ik wil graag voor u aan de slag.’
Ze vond mijn opmerking kennelijk wel grappig, want de jongedame reageerde vrolijk met: ‘Leuk bedacht, hoor. Misschien bent u toch niet zo’n beroerde makelaar, maar ik wil toch een paar andere makelaars laten komen, vóór ik beslis.’


Het leek er op dat de vrouw aardig overstag was, want ze wilde mij kennelijk toch een kans geven in de concurrentiestrijd met andere makelaars en dat bleek meteen toen ze sprak: ‘Weet u wat, noemt u mij voortaan maar gewoon Mirna.’
Dat klonk me als muziek in de oren en ik reageerde dat ze mij dan Bert moest noemen.
‘Maar,’ vervolgde ik op ernstige toon, ‘er is nog iets anders, Mirna; heb je, als deze woning verkocht wordt, zelf onderdak?’
‘Geen probleem, mijnheer Bert. Mijn ouders hebben een huurappartement dat momenteel leeg staat. Daar kan ik zo in.’
‘Daar ben ik blij om.’
‘En weet je, ik ga daar nooit meer weg, want ik wil absoluut geen kerel meer. Ze beduvelen je toch allemaal.’
‘Niet allemaal, hoor.’
‘Nee, misschien niet, maar ik moet op mijn hoede blijven, toch?’
‘Goed onthouden,’ reageerde ik vaderlijk. Ik begon een beetje van Mirna te houden. Ze was duidelijk, maar ook flexibel.
Na nog wat zaken besproken te hebben, namen we afscheid, waarbij ze toezegde nog van zich te laten horen.

En die belofte kwam ze na, hoewel het niet was, waarop ik gehoopt had.
Ze blies de verkoop af. De jongedame was weer veroverd door een nieuwe adonis en die knaap was meteen bij haar ingetrokken. Omdat de hypotheeklasten nu weer konden worden opgebracht, hoefde ze de woning niet te verkopen.
Ik gunde haar de liefde van harte, maar gaf haar nogmaals het advies: ‘Weet je nog, Mirna, blijf altijd op je hoede.’
‘Hoeft in dit geval niet, Bert. Mijn nieuwe vriend is zó lief; die vertrouw ik voor honderd procent. Maar bedankt voor alles.’
Oh, oh, dacht ik. Het lieve kind heeft niets geleerd van haar vorig avontuur.

Maar ..., een half jaar later heb ik toch nog een heel fijn contact met Mirna gehad, nadat ze mij belde met de woorden: ‘Wil je mijn woning in verkoop nemen, Bert? 
Het is weer uit.’

18-11-19